Archive for september, 2010

Looneis FNV en CNV: gevaarlijk of gematigd?

24 september 2010

Vakcentrales FNV en CNV maakten deze week het arbeidsvoorwaardenbeleid voor 2011 bekend. De looneisen van FNV en CNV liggen tussen 1,5 en 2 %, iets boven de verwachte inflatie. Beide vakcentrales zetten daarnaast ook in op het maken van afspraken over werkgelegenheid. Voor die afspraken hebben de vakcentrales een procent loonruimte op het oog. Blijven zulke afspraken achterwege dan kan de looneis oplopen tot 3%.

Werkgeverskoepel VNO-NCW noemt de looneis in een eerste reactie ‘gevaarlijk’. Forse looneisen bedreigen volgens de werkgevers het herstel van de economie en daarmee de werkgelegenheid. VNO-NCW opteert voor een loonontwikkeling tussen 0 en het inflatieniveau. De stelling van de werkgevers, dat hoge looneisen ‘gevaarlijk’ kunnen zijn voor het herstel van de economie en de werkgelegenheid snijdt hout. Alleen, het is de vraag of de door FNV en CNV gestelde looneisen terecht als ‘hoog’ worden gekwalificeerd. Econoom Sweder van Wijnbergen betoogde deze week op de radio dat de vakbondseisen juist gematigd zijn! Door de lonen op of rond het niveau van de verwachte inflatie te houden zullen, volgens Van Wijnbergen, de kosten van bedrijven niet harder stijgen dan de prijzen.

De looneis van de grootste Duitse vakbond IG Metal van maar liefst 6 % lijkt Van Wijnbergen gelijk te geven. Vooral omdat de looneis van de Duitse vakbond niet slechts als ketelmuziek kan worden afgedaan. In maart werd voor de Duitse elektro- en staalindustrie een loonstijging van 2,7% vanaf het voorjaar 2011 afgesproken. In vergelijking daarmee kan de looneis van de Nederlandse vakbeweging terecht gematigd worden genoemd. Als de werkgevers in de komende CAO- onderhandelingen over 2011 de lijn van VNO-NCW volgen moet de loonontwikkeling in ons land netjes op het niveau van de inflatie kunnen uitkomen.

Advertenties

Rol OR bij CAO kan kwaliteit verbeteren!

18 september 2010

Vorig najaar verzorgde ik een drukbezochte workshop tijdens de jaarlijkse OR-voorzittersdag van de Sdu. Het onderwerp was: OR en CAO. De deelnemers aan die workshop, voorzitters van een Ondernemingsraad, maakten een gretige indruk. Zij zagen vrijwel zonder uitzondering voor hun OR een toekomstige rol weggelegd in relatie tot de CAO en de onderhandelingen daarover.

Wie oog heeft voor de komst van de nieuwe werknemer, werknemer 2.0 (onlangs hoorde ik de benaming ‘klittenband generatie’) in bedrijven kan er niet om heen dat grote veranderingen in CAO en arbeidsvoorwaarden nodig zijn. CAO’s moeten meer ruimte én meer mogelijkheden bieden voor individuele keuzes en moeten werknemers stimuleren daarvan daadwerkelijk gebruik te maken. Zeggenschap over werktijden en werkplek moet toenemen en onderwerpen als mobiliteit, vitaliteit en langer doorwerken moeten op de CAO-agenda komen. Daardoor zal de CAO een sterkere relatie krijgen met de bedrijfscultuur, de bedrijfsvoering en het HR-beleid. Daar is de OR goed in thuis. Voeg daarbij dat de OR alle werknemers van hoog tot laag representeert en het zal duidelijk zijn dat de OR een zinvolle bijdrage kán leveren aan de vormgeving van de CAO.

Hoewel er voorbeelden van zijn ben ik er geen voorstander van om de OR de plaats van de vakbeweging aan de CAO-tafel in te laten nemen. Integendeel. Het onderhandelen over het niveau van arbeidsvoorwaarden lijkt mij bij de vakbeweging in goede handen. Maar de kwaliteit van de CAO kan verbeterd worden door de OR een rol te geven bij de keuze van onderwerpen die in de CAO geregeld worden, de vormgeving van de CAO en de implementatie en afstemming van de CAO op het HR-beleid van het bedrijf of de bedrijven (in geval van een bedrijfstak-CAO).

Sterke punten van de OR zijn betrokkenheid, representativiteit en de bekendheid met het HR-beleid. Door die te koppelen aan sterke punten van de vakbeweging, zoals vaardigheid in het onderhandelen over CAO’s en de onafhankelijkheid van de werkgever kan het draagvlak voor en de kwaliteit van de CAO vast en zeker verbeteren.

Hoezo koopkracht onder druk?

10 september 2010

Deze week stond de koopkracht weer eens in het middelpunt van de belangstelling. Niet doordat politici elkaar met hun koopkrachtplaatjes bestreden. Die hadden wel wat anders aan het hoofd. De aandacht voor de koopkracht kwam voor rekening van het CBS en de FNV. Het CBS publiceerde cijfers over de loonontwikkeling, waaruit zou blijken dat die achter blijft bij de inflatie. FNV Bondgenoten speelde daar bij monde van voorzitter Henk van der Kolk al op voorhand op in door voor 2011 alvast te pleiten voor een loonstijging die de inflatie overtreft.

Ik vraag me af of het CBS haar eigen cijfers wel van een waardeoordeel moet voorzien. Dat doet zij door aan cijfers over loonontwikkeling en inflatie de conclusie te verbinden dat de koopkracht onder druk staat. Volgens mij moet het CBS ons van betrouwbare cijfers voorzien en conclusies en waardeoordelen overlaten aan anderen, zoals de FNV. Die heeft dus recht van spreken. Maar de FNV heeft in het Sociaal Akkoord van 2009 afgesproken dat een deel van de loonontwikkeling kon worden omgezet in werkgelegenheidsafspraken. Driekwart procent om precies te zijn, het verschil tussen 2 % (zónder zulke afspraken) en 1,25 % (mét werkgelegenheidsafspraken). In veel sectoren zijn zulke afspraken gemaakt en is de loonstijging in ruil daarvoor (!) tot gemiddeld iets meer dan één procent beperkt gebleven.

Tegen de achtergrond van het Sociaal Akkoord wil ik de stelling verdedigen dat de lonen met (veel) meer dan de door het CBS berekende 1,1% zijn gestegen. Namelijk, de (tegen)waarde van de gemaakte werkgelegenheidsafspraken, waardoor meer mensen bleven werken dan wanneer die uitruil niet had plaatsgevonden. Als we de waarde van werkgelegenheidsafspraken bij de door het CBS gemeten loonstijging optellen, is er van koopkrachtdruk geen sprake.

Het lijkt intussen met de Nederlandse economie relatief goed te gaan. De loonmatiging in ruil voor afspraken over werkgelegenheid en scholing hebben daaraan bijgedragen. Het lijkt mij verstandig dat beleid in 2011 voort te zetten in plaats van een inhaal-loonslag te eisen om de vermeende druk op de koopkracht te voorkomen. Dan laten we de koopkrachtplaatjes weer aan politici over, zodra hun hoofd er weer naar staat.