Archive for juni, 2011

Tango op de werkvloer

25 juni 2011

Deze week had ik, vlak voor de vakantie (die ik daarvoor zelfs een paar dagen had uitgesteld), nog drie boeiende bijeenkomsten. Twee daarvan betroffen vernieuwing van CAO’s. Die van de Particuliere Beveiliging en die van Akzo Nobel. Bij de eerste ben ik als onderhandelaar namens werkgevers, verenigd in de zojuist omgedoopte Nederlandse Veiligheidsbranche, betrokken; bij de tweede was ik uitgenodigd een presentatie te geven tijdens een kick-off met P&O-managers.

Tussen beide activiteiten in nam ik deel aan het symposium Tango op de werkvloer, ter gelegenheid van de presentatie van het gelijknamige boek van Aukje Nauta. Zij is bijzonder hoogleraar Employability in Werkrelaties aan de Universiteit van Amsterdam en mede-oprichter van collega adviesbureau Factor Vijf. Het boek biedt een nieuwe kijk op arbeidsrelaties, zowel op de individuele aspecten daarvan als op de collectieve en op de samenhang daartussen. Tijdens het symposium begeleidde ik mede de dialoog-tafel over Vernieuwing van CAO-processen. Dat bleek een zeer passende schakel tussen de activiteiten voor de Nederlandse Veiligheidsbranche en Akzo Nobel.

CAO-vernieuwing blijkt in de praktijk vaak méér dan vernieuwing van de inhoud van de CAO. Vernieuwing van het CAO-proces is zeker van even groot belang. Daarbij horen vragen als: wat regel je in de CAO en wat laat je over aan de individuele werkgever en werknemer, welke differentiaties breng je daarbij aan en welke keuzemogelijkheden biedt je de gebruikers van de CAO. En ook de vraag: met wie breng je de CAO tot stand, vakbonden en/of OR, en op welke wijze doe je dat? De dialoog-tafel begeleidde ik met iemand die de vernieuwing van de CAO ING Verzekeringen van dichtbij meemaakt. Daar lijkt het CAO-proces in niets meer op het traditionele touwtrekken tussen beide CAO-partijen!

Ik ga het boek van Aukje Nauta in de vakantie, die inmiddels begonnen is, zeker lezen. Tijdens haar presentatielezing lichtte ze zelf de titel toe. ‘Arbeidsrelaties moeten, net als de tango (die tijdens het symposium tweemaal werd gedanst!) meer zwier krijgen’, zei ze. Dat betekent niet alleen meer lol (wat tijdens CAO-onderhandelingen overigens heel belangrijk is!), maar durven slingeren (als de klepel van de klok) tussen flexibiliteit en zekerheid, competitie en coöperatie, individu en collectief. Zwieren en slingeren in plaats van vasthouden aan principes en dogma’s. Ik denk dat het de arbeidsverhoudingen in ons land zéér ten goed zal komen!

Advertenties

Het ‘eigene’ van de overheid?

17 juni 2011

Deze week bezocht ik op uitnodiging van het CAOP een deel van het slotdebat over Het eigene van de overheid. Aan het slotdebat waren een drietal debatten in besloten kring vooraf gegaan. Minister Donner, die het slotdebat met een toespraak opende, liet zich de kans niet ontnemen daarmee zijn mening over openbaarheid van bestuur nog eens toe te lichten. Nadenken doe je in beslotenheid, maar verantwoorden doe je in het openbaar, aldus de minister, die er aan toevoegde dat wanneer we ook in het openbaar gaan nadenken, het denken stopt en we op den duur alleen nog na-pràten.

Er was veel aandacht voor de positie van de ambtenaar. Moet de ambtelijke rechtspositie blijven of verdwijnen? Verdienen ambtenaren minder dan werknemers in private sectoren? Hoe kan een ambtenaar trots op zijn werk zijn als zijn werkgever hem verguist? Moet het ambtelijk gezag hersteld worden? Moet de overheid alles (blijven) doen wat de overheid kàn doen?

Mij vielen twee dingen op. In de eerste plaats viel me op dat zodra een vraag beantwoord is (de ambtelijke rechtspositie kan arbeidsrechtelijk probleemloos worden vervangen door de ‘gewone’ arbeidsovereenkomst), er weer vele nieuwe vragen worden opgeworpen die dat toch weer kunnen verhinderen of op zijn minst ernstig compliceren. Zal er zó ooit een vraag definitief beantwoord worden?

In de tweede plaats viel me op dat het ‘eigene’ van de overheid vooral door de ogen van de overheid kijkend nààr de samenleving bezien wordt en veel minder andersom. Dat lijkt haaks te staan op het denken vanuit de klant wat in private sectoren, maar ook in de zorg en in het onderwijs – gelukkig – in opkomst is.

Kortom: ik heb het antwoord op de vraag naar het ‘eigene’ van de overheid niet gevonden. Misschien kan de zoektocht beter gericht zijn op wat de overheid met andere sectoren ‘gemeen’ heeft?

Vaste of starre CAO-afspraken?

11 juni 2011

Deze week bezocht ik de jaarlijkse bijeenkomst van de NVA (Nederlandse Vereniging voor Arbeidsverhoudingen), waar de grootste CAO-partijen van ons land, AWVN en FNV Bondgenoten, de balans opmaakten van het lopende CAO-seizoen. Daarbij vielen mij twee zaken op.

De AWVN pleit er voor om een deel van de jaarlijkse loonstijging mee te laten ademen met prestaties van bedrijven en met de economische conjunctuur. Uit de gepresenteerde cijfers valt op te maken dat daarvan weinig terecht komt. AWVN-topman Hans van der Steen verzuchtte dan ook dat niet de hoogte, als wel de starheid van de gemaakte loonafspraken hem zorgen baart.

FNV Bondgenoten bepleit het terugdringen van allerlei flexibele contracten ten gunste van vaste aanstellingen, die volgens de bond weer ‘regel’ moeten worden. Anja Jongbloed, CAO-coördinator van FNV Bondgenoten, wees dan ook met enige trots op de afgesproken CAO’s waarin de inzet van flexibele werknemers daadwerkelijk een halt toegeroepen lijkt te worden.

Kortom, de trend in de afgesloten CAO’s lijkt: vaste loonstijgingen voor vaste werknemers. Vast tegenover flexibel. Het tegenovergestelde van ‘flexibel’ is echter niet ‘vast’, maar ‘star’. Maken we met zulke CAO-afspraken onze economie en arbeidsmarkt niet veel te star?

De ABU presenteerde onlangs cijfers waaruit blijkt dat 1/3-deel van de uitzendkrachten binnen één jaar een vaste baan vindt en binnen 2,5 jaar bijna nog eens 1/3-deel. Onderzoek wijst uit dat lang niet iedere werknemer uit is op een vaste baan. Ook het toenemend aantal zzp’ers wijst daarop. Flexibele inzet is niet persé strijdig met de duurzame inzet, die zowel door AWVN, als door FNV Bondgenoten wordt bepleit in het Manifest Naar Nieuwe Arbeidsverhoudingen.

Als we niet oppassen worden ‘vaste’ CAO-afspraken synoniem voor ‘starre’ CAO-afspraken, die de gewenste duurzame inzet van werknemers eerder in de weg staan dan bevorderen!

Organising en/of Manifest.

3 juni 2011

Deze week besteedde Nieuwsuur aandacht aan organising. De TV-uitzending gaf aanleiding tot veel discussie op Twitter. Ondermeer over de vraag hoe organising zich verhoudt tot het recente Manifest Naar Nieuwe Arbeidsverhoudingen.

Organising is een uit Amerika afkomstige vakbondsstrategie, die zich richt op het versterken van de macht van werknemers in hun eigen bedrijf. Zij worden door professionele organisers van de vakbond gestimuleerd en toegerust om voor hun rechten op te komen. Daarbij wordt actie niet geschuwd. In tegendeel, organising gaat gepaard met een ‘escalatietrap’. Dat wil zeggen dat er zo nodig steeds zwaardere actiemiddelen worden ingezet om de gestelde doelen te bereiken.

Daarmee lijkt het niet te passen bij de inhoud van het Manifest Naar Nieuwe Arbeidsverhoudingen dat begin dit jaar door de AWVN en de grote industriële vakbonden van FNV, CNV en MHP werd gepresenteerd. Dat Manifest roept op tot herstel van onderling vertrouwen en co-creatie in plaats van traditionele onderhandelingen. Op het eerste gezicht een heel andere taal!

Toch meen ik dat organising en het Manifest elkaar niet per definitie uitsluiten. Immers, nieuwe arbeidsverhoudingen zijn gebaat met zelfbewuste werknemers die binnen bedrijven in staat zijn hun eigen boontjes te doppen. En dat is precies wat organising in de kern beoogt! ‘Bange muisjes worden dappere leeuwen’, zei Ron Meijer, FNV-bestuurder in de schoonmaakbranche, waar ik het fenomeen leerde kennen toen ik in 2010 betrokken was bij de oplossing van het CAO-conflict.

Maar om organising met het Manifest te verbinden zullen in elk geval twee voorwaarden vervuld moeten worden. Vakbonden zullen organising niet langer exclusief moeten blijven verbinden met onvrede, CAO-conflicten en stakingsacties. Werkgevers zullen op hun beurt hun angst voor organising moeten laten varen. Alleen dan kunnen organising en het Manifest elkaar aanvullen en hoeft het één niet voor het ander te worden opgeofferd.